TestGorilla Tabellen lezen
Combineer rijen, kolommen, totalen en relatieve verschillen.
Oefen deze vraagsoort
Twee oefensets van tien eigen vragen met uitleg. Bekijk eerst het uitgewerkte voorbeeld.
Na afloop zie je meteen je score en de uitleg.
Volgende oefenset
Oefen verder met nieuwe vragen van dezelfde vraagsoort. Ontgrendel alle sets met premium.
Tabellen lezen: uitleg en voorbeeld
Aanpak
Lees eerst de koppen en eenheden en bepaal welke kolommen je nodig hebt.
Veelgemaakte fout
Het grootste absolute aantal is niet altijd het grootste aandeel.
Uitgewerkt voorbeeld
De bibliotheek van een gemeente houdt per vestiging bij hoeveel boeken er in maart zijn uitgeleend. De uitleningen zijn gesplitst in volwassenen en jeugd.
Hoeveel boeken leende vestiging Noord in totaal meer uit dan vestiging Zuid?
| Vestiging | Volwassenen | Jeugd |
|---|---|---|
| Noord | 1.240 | 860 |
| Oost | 1.060 | 800 |
| Zuid | 1.100 | 640 |
| West | 1.380 | 760 |
- 140 boeken
- 240 boeken
- 360 boeken
- 400 boeken
Bekijk antwoord en uitleg
Juist: 360 boeken
Werk bij een tabel altijd eerst de gevraagde regels helemaal uit voordat je gaat vergelijken. Tel per vestiging de twee kolommen op: Noord 1.240 + 860 = 2.100 en Zuid 1.100 + 640 = 1.740. Het verschil is 2.100 - 1.740 = 360 boeken. Wie meteen twee losse cellen van elkaar aftrekt, vergelijkt maar een deel van de uitleningen.
Waarom de andere opties niet kloppen:
- 140 boeken: Hier is alleen de kolom Volwassenen vergeleken; de jeugduitleningen tellen ook mee.
- 240 boeken: Dit is het verschil tussen Noord en Oost; de vraag gaat over Zuid.
- 400 boeken: Dit is het verschil tussen West en Zuid; de vraag gaat over Noord.
Wat je kunt verwachten
- Twee sets van tien vragen met uitleg.
- Eén correct antwoord per vraag. Oefen met of zonder onze oefenklok.
Tips om hoger te scoren
- Lees eerst de koppen en eenheden en bepaal welke kolommen je nodig hebt.
- Het grootste absolute aantal is niet altijd het grootste aandeel.
Combineer rijen, kolommen, totalen en relatieve verschillen. Twee oefensets van tien vragen met uitleg. Begin met het voorbeeld en oefen daarna zelfstandig.