Kubussen — zo los je ze op
Je ziet één kubus met drie zichtbare vlakken. Vier van de zes vlakken hebben een patroon, twee zijn blanco, en elk patroon komt maar één keer voor. Precies één van de vier antwoorden kan dezelfde kubus zijn, gedraaid.
Stap 1 — kies een herkenningspunt. Neem het opvallendste zichtbare patroon en kijk welke patronen eraan grenzen én hoe ze staan: waar wijst de punt, de opening of de pijl naartoe? Die buurrelaties veranderen nooit, hoe je de kubus ook draait.
Stap 2 — streep af. Een verkeerde kubus verraadt zich op drie manieren: twee vlakken zijn van plaats gewisseld; een patroon staat gedraaid ten opzichte van zijn buren; of hetzelfde patroon komt twee keer voor — dat kan per definitie niet.
Stap 3 — pas op met verborgen vlakken. Een antwoord met een patroon dat je in de opgave níét ziet, kan tóch goed zijn: dat patroon kan op een verborgen vlak staan. Streep alleen af wat aantoonbaar botst met wat je wél ziet.
Tempo. In de echte test (bijvoorbeeld de Q1000) heb je ongeveer 60 seconden per vraag. Blijf niet hangen: bij twijfel gokken en door — een leeg antwoord telt als fout.
Voorbeeldopgave
Welke van de vier kubussen kan dezelfde kubus zijn, gedraaid?
Antwoord C is juist. Gebruik de pijl als herkenningspunt en kijk hoe hij ten opzichte van de S staat — in de opgave loopt de pijl evenwijdig aan de rand tussen het pijlvlak en het S-vlak: de punt wijst niet naar de S en niet van haar af.
Wat overblijft is C — en dat klopt ook positief: de pijl loopt weer evenwijdig aan de rand met de S, en de S staat met dezelfde draai ten opzichte van de pijl als in de opgave.